Field Spaniel

De Field Spaniel is van dezelfde afstamming als de Engelse Cocker Spaniel; in 1892 werden de beide rassen voor het eerst als aparte rassen ingedeeld, waarna de Cocker Spaniel sterk werd verbeterd en de Field Spaniel niet; laatst genoemde ontwikkelde een uitzonderlijk lang lichaam en korte benen. Men ziet de is Field Spaniel nog maar weinig; dit is jammer, want het is een volgzaam dier, bijzonder goed in het veld en een prima huishond. Hij is schrander en bezit ook en zeer gelijkmatig temperament.

Formaat

Gewicht: circa 16-22,7 kg. Schofthoogte circa 46 cm.

Uiterlijke verzorging

Een dagelijkse borstel - en kambeurt is voldoende, waarbij men ervoor moet zorgen dat de vacht iet gaat klitten en er niets tussen zijn tenen blijft zitten.

Voeding

Aanbevolen wordt 375-550 gram blikvlees, aangevuld met een gelijke hoeveelheid hondenbrood; of 3 kopjes volledig hondenvoer, vermengd met 1-1/2 kopje warm of koud water.

Oorsprong en geschiedenis

De geschiedenis van de Field Spaniel loopt parallel aan die van de Engelse Cocker Spaniel, Totdat de rassen in 1892 werden gescheiden, werden ze als Field Spaniel boven en onder de 11,3 kg tentoongesteld. Buiten Engeland komt het ras weinig voor.

RASPUNTEN

Uiterlijke verschijning. Een harmonische, edele jachthond, met een groot uithoudingsvermogen en gebouwd voor een actief leven:een combinatie van schoonheid en bruikbaarheid; buiten gewoon volgzaam.

Kleur. De Field Spaniel moet een effen gekleurde hond zijn in zwart, leverkleur, goudachtig leverkleur mahonierood, schimmel of een van deze kleuren met tan-kleur boven de ogen en op de wangen, voeten en middenvoeten. Andere kleuren, zoals zwart met wit, leverkleur met wit en rood of oranje met wit, worden als fouten aangerekend, maar leiden niet tot diskwalificatie.

Hoofd en schedel. Het hoofd moet net zo karakteristiek zijn als dat van de Bulldog of de Bloedhond. De bouw en expressie moeten direct suggereren dat het hier een voorname, edele, karaktervolle hond betreft. De schedel moet goed ontwikkeld zijn, met een duidelijke achterhoofdsknobbel die het edele type benadrukt; niet te breed over de snuit, lang en droog, niet puntig, maar ook niet vierkant van lijn en van opzij gezien van lijn en van opzij gezien van de neus tot de keel een geleidelijke boog vertonend; tussen de ogen droog, want een verdikking hier maakt het gehele hoofd grof. Door de grote lengte van de snuit is er plaats voor een ruime ontwikkeling van de reukzenuw, wat een zo groot mogelijk reukvermogen verzekert. De neus moet goed ontwikkeld zijn, met open neusgaten.

Staart. Goed aangezet en laag gedragen, zo mogelijk onder het niveau van de ruglijn, recht of met een lichte buiging naar omlaag en zeker nooit boven de ruglijn uit gedragen; ook bij het werk wordt de staart altijd laag gehouden; fraai behaard, met een golvende bevedering van een zijdeachtige structuur.

Voeten. Niette klein; rond, met kort, zich haar tussen de tenen; goede, sterk voetzolen.